De man die het grootste bedrag uit de Nederlandse geschiedenis aan een ziekenhuis zou schenken, zat in de gang van notariskantoor Willemsen in Nijmegen op een krakende houten klapstoel en at een ontbijtkoek. Buiten regende het. De radiatoren tikten. Op de hoek van de Van Welderenstraat stond iemand friet te eten uit een puntzak, alsof er niets aan de hand was.
Hij heette Johannes van der Heijden. In zijn paspoort stond: geboren op 6 december 1941 te Semarang, Nederlands-Indië. Binnen de familie noemden ze hem nog altijd Djoko, maar alleen zijn oudste zus mocht dat hardop zeggen. Hij was drieëntachtig. Zijn vermogen stond op een gele post-it bij de notaris: 1,4 miljard euro. Vandaag ging daar een kwart miljard vanaf.
Zijn zoon Ruben, vierenvijftig, kwam binnen in een druipende regenjas van Rains. Hij ging tegenover zijn vader zitten en legde zijn telefoon met het scherm naar beneden op de tafel.
— Pa, ik heb er vannacht wakker van gelegen.
— Van de regen?
— Van dat bedrag. U kunt toch niet zomaar een kwart miljard aan een ziekenhuis geven.
Johannes schoof het laatste stuk ontbijtkoek in zijn mond en veegde de kruimels van zijn broek.
— Ik kan het wel. Het is mijn geld.
— Ons geld, pa. De familie heeft er ook recht op.
— Welke familie? Jij? Je zus?
— De kleinkinderen. Zeven erfgenamen.
— Zeven, ja. En hoeveel kinderen liggen er vannacht in het Radboudumc? Vierhonderd. Voor hen teken ik.
De klok van de Sint-Stevenskerk sloeg elf uur. Het geluid kwam door de dubbele ramen heen, vermengd met het getik van een tl-buis die al de hele ochtend knipperde. Johannes keek naar zijn handen. Ze waren oud, maar nog stevig. De handen van een jongen die in 1942 in kamp Ambarawa op een brits lag, één jaar oud, terwijl zijn vader een paar barakken verderop stierf aan dysenterie. Zijn moeder ruilde haar trouwring voor kinine. Dat had ze hem later verteld, als hij vroeg waarom ze nooit een ring droeg.
In 1950 gingen ze aan boord van de Sibajak in Jakarta. Een koffer, twee gebedenboekjes en een trommeltje met aarde uit Semarang. Meer hadden ze niet. In Rotterdam stonden ze op de kade, in de motregen, tussen honderden andere repatrianten. Djoko werd Johannes. Op school kon de juf zijn naam niet uitspreken. Hij leerde Nederlands uit de Donald Duck en uit een kapot exemplaar van Kruimeltje.
Op zijn zestiende ging hij werken bij Philips in Eindhoven. Hij monteerde radio's, spaarde elke gulden. In 1973 opende hij in een voormalige garage aan de Graafseweg een winkel die computers verkocht: Delta Computer. Dat werd een keten van 180 vestigingen. In 1995 stapte hij over op windenergie, NoordzeeWind. De banken lachten. Tien jaar later verkocht hij het bedrijf voor een bedrag dat in de krant alleen als 'ruim boven de miljard' werd genoemd.
Samen met zijn vrouw Els begon hij Stichting Van der Heijden. Ze gaven aan scholen, musea, wetenschappelijk onderzoek. Het meeste geld ging naar de gezondheidszorg. Els was in 2018 overleden aan alvleesklierkanker. In het Radboudumc. Ze had zeven weken op de afdeling oncologie gelegen. Johannes was elke dag op de fiets gekomen, weer of geen weer.
Een week na haar dood liep hij door de gang van het ziekenhuis en zag een jongetje van een jaar of zes, kaal van de chemo, op een vel papier een vogel tekenen. De vogel had één vleugel. Johannes vroeg waarom. De jongen haalde zijn schouders op: "Die is afgevallen, maar hij vliegt toch." Johannes had die tekening dezelfde avond aan de muur van zijn studeerkamer gehangen.
Nu zat hij tegenover zijn zoon, in het notariskantoor, en de vogel zat in zijn jaszak.
De deur van de spreekkamer ging open. Notaris De Groot, een vrouw met een hoornen bril en een map onder haar arm, wenkte hen. Op de tafel lag het document. Schenking ter grootte van tweehonderdvijftig miljoen euro aan het Radboudumc, bestemd voor een nieuw onderzoekscentrum voor kinderoncologie. De naam van zijn vrouw zou er niet boven staan. Hij had dat niet gewild. "Zet er maar op: Centrum voor Vroege Diagnostiek."
Ruben schoof zijn stoel naar achteren.
— Pa, u hebt het huis in Oosterbeek al aan mij beloofd. En het vakantiehuis in Renesse. Dat is allemaal prima. Maar een kwart miljard… dat is het erfdeel van zeven mensen.
Johannes pakte zijn portemonnee. Uit het achtervak haalde hij een verbleekte foto: een jongetje van drie, staand naast prikkeldraad, op blote voeten. Hij legde de foto op de tafel, naast het document.
— Dit was alles wat ik had. Geef mij één goede reden waarom die jongen geen ziekenhuis kan redden.
Ruben keek naar de foto. Zijn kaken spanden. Hij zei niets.
De notaris legde een vulpen op tafel. Johannes schudde zijn hoofd. Hij haalde zijn eigen pen uit zijn binnenzak, een oude Pelikan met krassen op de dop.
— Deze pen schreef in 1950 mijn eerste Nederlandse woord. "Fiets." Ik heb hem al die tijd bewaard.
Hij tekende. De pen kraste over het papier. Daarna haalde hij het kleine houten vogeltje uit zijn jaszak. De snavel was bijna weggesleten, één vleugel was gelijmd. Hij zette het op de hoek van het document.
— Dit vogeltje komt uit het kamp. Ik kreeg het van een zuster die zei dat ik moest blijven ademen als de koorts kwam. Leg het in het atrium van het nieuwe centrum. Dan hebben de kinderen iets om naar te kijken.
De notaris pakte het vogeltje voorzichtig aan, alsof het van glas was. Ruben bleef naar de foto staren.
Johannes stond op. Hij gaf de Pelikan aan Ruben.
— Hier. Bewaar hem. Geef hem over elf jaar aan je oudste zoon.
Ruben nam de pen aan. Hij draaide hem rond in zijn vingers.
— En als hij hem niet wil?
— Dan heb jij een pen.
Johannes liep de gang in. Zijn regenjas hing nog aan de kapstok. Hij liet hem hangen. Buiten was de regen opgehouden. Hij stapte op zijn oude Gazelle, de fietstassen van de HEMA hingen scheef. Hij fietste weg over de natte klinkers van de Van Welderenstraat, zonder om te kijken.
Ruben stond bij het raam. De pen in zijn hand was nog warm. De notaris vroeg of hij een kopie wilde.
— Nee, zei hij. Ik heb de pen.







